099

Nina’s moeder

1.

Met een klap sloot ze haar laptop en trok er een usb-stick uit. Die stopte ze in haar broekzak. Ze keek op de klok. Een contract invullen en uitprinten hoefde niet en dat scheelde tijd. Maar opschieten moest ze wel.

Eigenlijk had ze altijd haast. Daardoor gingen sommige dingen fout en daar hield ze niet van. Maar ja: met haar partybedrijfje kon ze niet anders. Ze runde het alleen. En daardoor draaide alles om haar. Wat de organisatie betreft dan. Tijdens het feest ging het om de klanten, om hun gasten en om de show. En the show must go on.

Nou was uitgerekend dát geen probleem. Zoals haar moeder vroeger een Rolodex vol schoonmakers, huisschilders en glazenwassers had, zo stonden er in Nina’s Samsung tientallen paaldansers, look-a-likes, oestersnijders, dragqueens, steltlopers en mystery guests.

Superhandig, maar ze was er niet trots op. Want eigenlijk was het allemaal van hetzelfde laken een pak. Ze kon die gasten zo uittekenen: niet afgemaakte toneelschool, na een jaar van de balletopleiding gestuurd, geen ruggengraat voor het conservatorium, te oud voor de musical, te dom voor de opera, noem maar op.

Het allerergst waren de DJs. Ook daarvan gingen er dertien in een dozijn. Allemaal nachtdieren die leefden van vijf tot vijf. Ze zagen alleen de zon op weg naar de supermarkt. In de zomer dan. ’s Winters merkten ze sowieso niets van het daglicht en schuifelden ze als bleke zombies door de stad. Soms vroeg ze naar hun gezondheid. Niet uit medelijden of zelfs maar interesse, maar omdat ze beschikbaar moesten blijven. Soms zelfs op afroep.

Oh, ze hadden werk genoeg. Want haar collega-partyplanners zetten natuurlijk ook op elk feestje een DJ in. Van tien tot twaalf een goeie en van twaalf tot aan de morgenstond een nog betere. Sterker nog: meestal wisselden de heren elkaar gewoon af en ruilden ze van locatie. Geen haan die er naar kraaide, laat staan een feestganger. Dit dankzij een cocktail van drank, drugs en een uitgezette airco.

Vorige week had ze het zelf gezien. Midden in de nacht zat ze uit te puffen op een bankje op het Rembrandtplein. Misschien niet helemaal veilig voor een vrouw alleen, ze herinnerde zich een moederlijke waarschuwing, maar goed: ze woonde bijna twintig jaar in de stad en stond inmiddels haar mannetje.

Twee DJ’s die haar bekend voorkwamen verlieten allebei een club: de een deed de deur van Rain achter zich dicht en de ander kwam bij Van Rijn vandaan. Ze wandelden naar het midden van het plein. Daar gaven ze elkaar een high five en een zoen. Ten slotte liepen ze door naar de overkant om daar hun werkzaamheden voort te zetten.

Geen probleem, de party’s waren pico bello geslaagd. Er was ook helemaal niets geheimzinnigs aan. Het stond gewoon op de flyers, posters en websites. De volgende dag zouden de bezoekers van Rain beweren dat hun eigen feest ‘top’ was geweest en dat in Van Rijn ‘kut’. En wie in Van Rijn was geweest, zou het tegenovergestelde zeggen. En zo ging het altijd: om er niet uit te liggen, kletsten mensen elkaar na en hielden elkaar voor de gek.

DJ’s – ook die uit haar stal – hadden een sterrenstatus en figuranten hobbelden er achteraan. Zeker wat hun tarieven betreft. Eigenlijk vond ze dat best: bellenblazers en lichtartiesten waren altijd en overal te plaatsen en kostten zowat niets.

Our entertainers please you, so please choose Party Planning Ibiza’, stond op haar website. De pay-off was kort maar krachtig: ‘Fun, fun, fun!’ Ze had het overgenomen uit het liedje Windsurfing, van The Windsurfers, uit 1978: haar geboortejaar. De tekst en muziek waren simpel. Vandaar dat het nummer was blijven hangen bij haar net zo simpele klanten. En die waren twintig jaar ouder dan Nina zelf.

Ze draaide zich om en bekeek haar kamer. Tegen opdrachtgevers zei ze altijd haar ‘studio’. Het stond ook onderaan de disclaimer van haar site: ‘Nina Portier woont in een ruime studio in de hippe wijk De Pijp, het Quartier Latin van Amsterdam. Ze is niet getrouwd en heeft geen kinderen. Voor contact klikt u…’. Et cetera.

Waar ze de term ‘ruim’ vandaan had gehaald, wist ze niet. Haar bureau bijvoorbeeld stond in het erkertje en paste maar net. Ze had een klein keukentje dat in kantoortermen een ‘pantry’ heette. Maar er was geen afzuiging dus ze kookte nooit.

Meestal at ze iets bij haar klanten of hun buren: restaurants, snackbars en eetcafés. Niet gezond nee, zeg dat wel, ze kon het haar moeder horen zeggen. Maar een praatje maken met de eigenaren hoorde er nu eenmaal bij. Je wist nooit wie er wat te vieren had.

Zo’n gesprek ontaarde altijd in gekanker: stijgende inkoopprijzen, belastingverhogingen en toegenomen loonkosten waren de hoofdonderwerpen. ‘Nina,’ zeiden ze dan, ‘eigenlijk is het niet meer te doen…’.

Gelul natuurlijk, want ze leefden als vorsten in nieuwbouwvilla’s die hun zwagers of neven hadden neergezet aan de rand van Osdorp of Purmerend. Hun prietpraat liet ze altijd onverstoorbaar over zich heen komen. Ze at rustig verder.

Dat ze had geleerd niet met volle mond te praten kwam haar op zulke avonden goed van pas. Tijdens een eetpauze stelde ze geïnteresseerd een paar vragen. Die hadden dan de vorm van een samenvatting van wat de tafelgenoot de tien minuten daarvoor had beweerd.

Zo was ze het ermee eens dat er vroeger niets te doen was in Amsterdam. Twintig jaar terug bijvoorbeeld, waren de zondagen doodsaai omdat de winkelsluitingstijdenwet strak werd gehandhaafd. Het tijdstip waarop de horeca dicht moest, nou ja: daar had je het dan al niet meer over.

Maar tegenwoordig ging aan de gracht en op de Zuidas de woensdagmiddagborrel over in die van de koopavond, terwijl de vrimibo precies aansloot op het weekend, waar vervolgens twee dagen van werd nagekaterd. En dan was het al weer woensdag.

Haar opdrachtgevers moesten dus niet zeuren: hun leventje was best eenvoudig. Alleen van entertainment hadden ze geen verstand. Dromerige loungemuziek of een nacht lang stampende house? Het maakte niemand iets uit. Kwaliteit was onbelangrijk. Een blik op haar bord in het eetcafé beroofde haar van alle illusies.

En ach, dacht ze op zo’n moment, bij Party Planning Ibiza lag de lat ook niet zo hoog. Als ze met een klant een opzetje voor een feest maakte, was het meestal een kwestie van afvinken. Doen we de paaldansers? Check! De steltlopers dan ook maar? Check! En een dragqueen als hostess? Check!

Ter plekke printte ze het contractje uit, ze had het afgekeken van haar wasmachinereparateur. Een kopie ging naar de entertainer die aan zijn optreden net iets meer dan een habbekrats verdiende.

Ja, ondernemen betekende de beste deals sluiten. Relaties ontwikkelen was belangrijk en netwerken onderhouden ook. Maar uiteindelijk telde, letterlijk en figuurlijk, wat er onderaan de streep overbleef. Allemaal van Moeders geleerd. Maar die kennis in de praktijk brengen viel momenteel niet mee.

Zeker niet nu het steeds vaker voorkwam dat die bellenblazers en hun collega’s wel iedere keer werden afgevinkt, maar dat het even vaak nog maar de vraag was of ze kwamen opdagen. Naarmate de populariteit van de act toenam, nam de betrouwbaarheid af. Divagedrag heette dat bij de dragqueens, maar het was ook op andere leden van haar rariteitenkabinet van toepassing.

Ze trok het dekbed recht en zette de schoenen onder het bed in een keurige rij. De schuifdeur van de douche, die in een uitgehouwen schoorsteen was geplaatst, deed ze zorgvuldig dicht. Het badmatje vouwde ze op en ze legde het netjes op de rand van de cabine.

De wastafel, met daarboven een spiegel en daaronder een kastje, bevond zich in een hoek. Daarnaast stond de wasmachine met een droger erbovenop. Een tafelmodel koelkast completeerde de inrichting. Het was niet hip of chique, maar het functioneerde en was schoon.

Toen viel haar blik op de klok. ‘Godver!’ zei ze hardop. Want ze zat te suffen. Om alles op tijd geregeld te krijgen, moest ze nú de deur uit. Ze stond op. Van het bed pakte ze een riem met een grote, sierlijke gesp in de vorm van een druiventros. De grootse druif was de knop waarmee je de gesp sloot. Zeker een keer in wijnbar gekregen, dacht ze.

Aan de zijkant van de douche zat een manshoge plakspiegel. Terwijl ze zichzelf bekeek deed ze de riem om. Ze dacht dat de gesp haar voor een Nederlandse vrouw smalle heupen goed deed uitkomen. Wat opsmuk betreft kon het daar dus bij blijven. Ze leek totaal niet op Nina Hagen, naar wie ze – door haar vader – was vernoemd.

‘Klaar!’ riep ze en stormde naar beneden. Buiten trok ze het kettingslot uit het voorwiel van haar scooter en mikte het ding in haar zadeltas. Een minuut later reed ze langs het Sarphatipark.

De wind waaide door haar haar. Ze droeg nooit een helm (‘roekeloos’, oordeelde haar moeder), maar ze was ook nog nooit aangehouden. In Amsterdam overkomt een blonde vrouw niets, was haar ervaring. De Magere Brug stond open.

Terwijl ze naar de passerende boten keek, herinnerde ze zich de boerenmeiden uit haar klas met wie ze tegen de wind in naar school fietste. Ze was allang vergeten hoe ze op haar vroegere vriendinnen had geleken. Tien minuten later, toen ze over de brug reed en linksaf sloeg, de Amstel op, was ze ook die herinnering weer kwijt.

2.

De grootste diva uit haar stal was een man. Hij heette Nick Nguyen, alias DJ Nick Nack. Die artiestennaam had hij geleend van de butler uit The Man with the Golden Gun. De rol werd gespeeld door Hervé Villechaize die nog net geen 1 meter 20 lang was. Nick, zoon van Vietnamese bootvluchtelingen, was 1 meter 50.

Dus officieel was hij geen dwerg. Maar wel een bonk spieren. Wie tegen hem aanliep viel om. Bij hun eerste ontmoeting had hij verteld dat hij ‘primordiaal’ was. Ze had het woord moeten opzoeken. Het betekende dat hij in proportie was, maar dat ze al gezien. In dit opzicht leek hij dus niet op de Nick Nack uit de James Bond-film. Dat had als voordeel dat hij op straat niet zo opviel. Een nadeel was er ook: primordialen werden hooguit 30 jaar oud.

Door zijn kromme dikke vingers kon hij niet overweg met een smartphone. Hij had er dus geen en behielp zich met een Nokia van rond de eeuwwisseling. Net zo groot als de afstandsbediening, met een groen scherm en vierkante toetsen. Het probleem was dat ze snel kapot gingen. Niet alleen vanwege de ouderdom, maar ook omdat hij er uit kwaadheid wel eens eentje stuk gooide.

Als hij gekalmeerd was, wandelde hij naar het Waterlooplein om voor een paar euro precies hetzelfde toestel te kopen. De simkaart was vaak nog intact. Meestal dong hij af op de prijs, dit tot verbijstering van de asielzoeker die hem het apparaat verkocht. Maar het lukte altijd en neuriënd liep hij terug richting de Amstel.

Waar zijn woede vandaan kwam, wist ze niet. Was het slaapgebrek, teleurstelling, onbegrip, wanhoop? Onregelmatig of helemaal níets eten en tegelijkertijd te veel drinken? Was het zijn afkomst? Of dacht hij juist te veel aan zijn toekomst? Hij was halverwege de 20 dus statistisch gezien zat het er zo’n beetje voor hem op. Iedereen wist dat, dus niemand zag hem als een concurrent.

Gelukkig lieten zijn collega’s het wel uit hun hoofd om dat hardop uit te spreken. Liever hadden ze het over ‘die kleine jongen met die grote gunfactor’. Hoe dan ook: hij kon altijd draaien. DJ Nick Nack verdiende niet zo veel als Tiësto, Afrojack of Armin van Buren, maar klagen mocht hij niet.

En toch deed hij het. Jammer alleen dat zijn ouders hem de taal van het land van aankomst niet hadden bijgebracht. Toen hij in Amsterdam kwam wonen sprak hij basaal Nederlands. Nina noemde het vergoelijkend, of gezien zijn dagindeling: ‘Horeca-Nederlands’.

Nick kon dus niet zeggen wat hij wilde. Het gevolg was dat er, in plaats van dat bij hem een klacht over de lippen kwam, iets werd gesloopt. En het bleef niet bij telefoons. Servies, glaswerk, meubelstukken: weinig bleef lang heel. Zijn buren werden er gestoord van. Niet alleen vanwege het lawaai waarmee de sloopwerkzaamheden gepaard gingen, ook brak hij zijn voordeursleutel om de haverklap af in het slot. Kwestie van kracht en razernij op hetzelfde verkeerde moment.

Met een schaapachtige blik in zijn ogen bleef hij dan op de stoep zitten wachten tot de sleutelservice kwam die hij met zijn Nokia had gebeld. Of hij verdween naar Café Lempicka en wachtte daar tot een van de buren of Nina het klusje had opgeknapt. Zijn drift ebde altijd snel weer weg.

Hij startte zijn optredens in een op maat gemaakt rokkostuum met goudkleurige knopen. Nick Nack uit de film zag er immers ook zo uit. Om dezelfde reden droeg hij een bolhoed tijdens het eerste setje. Dat begon met de titelsong van The Man with the Golden Gun waar hij een base line onder had gezet. Naarmate de avond, of eigenlijk: de nacht vorderde ging eerst de hoed af en daarna het jasje uit. Tenslotte gooide hij zijn allang niet meer hagelwitte overhemd op de grond.

Tegen de ochtend waren zijn spieren en aderen flink opgezwollen. Ten weerszijden van zijn spleetogen kronkelden twee bloedvaten omhoog richting zijn haargrens. Ze waren een halve centimeter dik en klopten op het ritme van zijn hart. De ledlampjes op de DJ-installatie zetten zijn borstpartij in een geelachtig licht. Door zijn afgezakte broek – of soms: doordat hij geen broek meer aanhad – zag iedereen dat hij het ondergoed droeg van een sumoworstelaar.

De feestgangers vonden het prachtig. Als hij klaar was droogde Nina hem af, trok hem schone kleren aan belde een taxi. Samen brachten ze de rest van de nacht en de dag door. Hij was haar belangrijkste entertainer. Op de meeste party’s was DJ Nick Nack net zo onmisbaar als een pil.

De keerzijde van het succes was dat ze elkaar soms compleet verrot scholden. Meestal voordat ze naar bed gingen en vaak ook als ze opstonden. Waar ze sliepen – bij hem, bij haar of in een hotel – maakte niet veel uit, er was altijd wel reden voor ruzie.

Nina had geen taxi besteld of de door Nick aangehouden en betaalde taxi was te duur, de ijskast zat te vol of was toevallig leeg, het stonk in haar kamer naar wasgoed of er brandde een geurkaars: alles kon aanleiding zijn voor een stevige woordenwisseling.

Maar na vijf minuten – je kon er de klok op gelijk zetten – viel hij in slaap. Op zulke momenten, met Nick in dromenland, bekeek ze hem eens goed. Voorzichtig haalde ze het zwarte haar uit zijn ogen en borg het achter zijn oren op. Ze raakte zijn wipneusje aan en ging er even mee op en neer en van links en naar rechts. Nooit werd hij wakker.

De aanblik van dat mannetje in bed maakte haar infantiel. Het tafereel deed haar denken aan een oude knuffel in de vorm van een pandabeertje waarmee ze vroeger speelde. ‘Ja puppy,’ mompelde ze als ze Nick zag slapen, ‘daar lig je dan. Onschuldig en bewusteloos. Tussen de lakens, terwijl je van je verdiende rust geniet. Iedereen heeft je gezien vannacht, maar niemand weet wie je bent behalve ik. Je huid is van zijde en je hart is van goud. Straks ben je er niet meer, je…’.

Dan, om tranen te voorkomen, herinnerde ze zich haar nuchtere opvoeding. Haar moeder bestierde de huishouding precies als de winkel. En Nina draaide in beide mee. Vroeg op, vroeg  naar bed en de tijd daar tussenin doelmatig besteden. En wat precies ‘doelmatig’ was, daar had Moeders eenvoudige ideeën over. Het volgen van een opleiding, een beroep uitoefenen, sporten en concert- of familiebezoek was prima. De rest was verdacht.

Nina vond niet dat ze op haar moeder leek. Wel ging ze efficiënt om met geld. Een enkele waaghals uit haar entertainersbestand noemde haar voorzichtig ‘op de penning’. Maar Nick vond haar gewoon gierig. Hij had het haar midden in haar gezicht gezegd na het ontvangen van een contractje dat hij voor haar neus had verscheurd.

Ze was kalm gebleven en had gezegd dat hij geen recht van spreken had. Wie afdong op een Nokia uit 2002 kon je ook niet bepaald gul noemen. En trouwens: iemand die was opgegroeid in een asielzoekerscentrum vond alle Nederlanders gierig.

Vroeger had ze hem er wel eens mee geplaagd en zei dan: ‘Ik heb altijd gewerkt en jij leefde op kosten van de belastingbetaler. Weet je meteen hoe het komt.’ Tamelijk abrupt was ze daarmee gestopt. En wel op de dag dat ze een auto had gehuurd om langs de plekken van hun kindertijd rijden.

Nick had geen rijbewijs, omdat hij eraan twijfelde of hij met zijn korte beentjes wel een normale auto kon besturen. Hij had het ook nooit geprobeerd, ondanks het aanbod van Nina de lessen te betalen.

Ze waren begonnen bij de plekken van haar jeugd die zich had afgespeeld in Veghel en omstreken. Onwennig, maar niet onbekwaam, hanteerde ze het stuur en het versnellingsapparaat van de huurauto. Goed gedoseerd gaf ze gas en ook de koppeling en het rempedaal stelden haar voor weinig problemen. Zo had ze het ‘t liefst: zelfs een machine die ze niet kende, had ze snel onder controle.

Ze wees op de eindeloze fietspaden waarover ze naar school was gereden, net als generaties Nederlandse schoolmeiden voor en na haar. De twee passeerden huizen die je niet zag vanwege de lengte van de oprijlaan of de hoeveelheid bomen er omheen. Ze gaf uitleg bij tijdelijke politieposten omdat daar een bedreigde minister woonde. Als partyplanner wist ze natuurlijk alles van security.

Tot slot stuurde ze de auto langs de brug van het kanaaltje waar ze altijd had geroeid. Aan de overkant van dat kanaaltje lag haar ouderlijk huis, verscholen in een bos. Eén van de vier schoorstenen was nog net zichtbaar, net als een kwart van de gevel.

Ze vertelde hem niets, anders had ze de brug moeten oversteken en het pad op moeten rijden. Met als gevolg dat haar moeder naar buiten zou komen. Ze merkte dat hij zo verstandig was om niets te vragen. Warm en comfortabel zoefden ze voorbij het perceel, de usb-stick met zijn muziek in de audio-installatie.

Idioot genoeg was het asielzoekerscentrum vlakbij, in Boxtel. Nick zei dat er niets was veranderd, al kon ze zich voorstellen dat het kamp, want dat was het, de laatste tijd wat was uitgebreid. Aziaten waren niet te zien. Wel wapperde hier en daar een Palestijnse vlag. Voor het hek lagen vuile matrassen en afgedankte stoelen en banken. De beeldbuis van een oude tv was stukgetrapt. Een donker jongetje fietste op een driewieler het terrein af, de poort uit. Stapvoets reed ze om hem heen..

Daarna zette ze koers naar het dorp. Ze moest van Nick stoppen voor een dertien-in-een-dozijn rijtjeshuis uit de jaren ’70. Toen ze afremde zei de DJ – net als Nick Nack had hij Donald Duckstem: ‘Je stelt je bij mijn ouders voor als mijn manager, ok?’ Het was niet eens gelogen. Thuis, in Amsterdam, had ze hem gemasseerd totdat hij in slaap viel.

3.

Je weet maar nooit, dacht ze en belde aan. De zoemer van de videofoon ging een paar keer over. Regelmatig, maar langzaam. Natuurlijk werd er niet opengedaan. Opnieuw drukte ze op de knop. ‘Pinda, spleetoog, poepchinees, schiet op,’ mompelde ze terwijl ze haar eigen sleutel tevoorschijn haalde. In het voordeurslot zat dit keer geen afgebroken sleutel, dat scheelde weer.

Ze stapte de drempel over en ging de gemeenschappelijke hal binnen. De naambordjes kwamen haar bekend voor: buren die geklaagd hadden over zijn gedrag. Met die afgebroken sleutel in de deur van het pand was het begonnen. Daarna kwam het extreem laat of juist idioot vroeg thuiskomen, afhankelijk van wat je vroeg of laat vond. Ook geluidsoverlast was telkens terugkerende gespreksstof.

De DJ bellen of bij hem aankloppen had nooit iets opgeleverd. Dus werd met Nina contact opgenomen. Die bood allereerst haar excuses aan. De klager, pardon: de klant had immers altijd gelijk. Vervolgens hing ze een verhaal op waarin ze de van Wikipedia overgenomen termen primordiaal, bipolair en bi-cultureel gebruikte. Tot slot beloofde ze beterschap: het zou niet meer voorkomen. God, wat had ze de afgelopen jaren veel met die jongen te stellen gehad.

Via het trappenhuis liep ze naar boven, de lift van het appartementencomplex ging niet snel genoeg. Ze moest zich inhouden niet te gaan rennen. Ondertussen keek ze op haar Samsung naar de juiste tijd. Oh shit, hoe kreeg ze haar ventje zover om naar zijn optreden te gaan.

Voor de deur van Nick’s appartement telde ze hijgend tot 10: dé methode om rustig te blijven. Als aanbellen niet werkte, had op de deur bonzen ook geen zin. Ze gebruikte maar weer haar eigen sleutel. Daarmee schakelde ze tegelijkertijd het alarm uit.

In de smetteloze gang zag ze niets bijzonders. Zelfs geen uitgetrapte schoenen of afgerukte kledingstukken. Geen kots, geen bloed, geen kapot gesmeten Nokia. Maar ook geen Nick. Waar zat dat joch?

Ze liep de gang door naar de woonkamer. De zon was nog net niet achter de huizen aan de overkant van de Amstel verdwenen. Het licht viel op de meubels. Nick’s DJ-installatie paste slecht bij de traditionele kast van Chinese lak. Hij had er zelfs eentje thuis – zo’n installatie dan – want de echte Nick Nack zat immers ook altijd en overal aan de knoppen.

Een fors model computer stond er naast en daarbovenop had hij een nog groter beeldscherm gezet. Ze wist dat kleine mannetjes zich graag voortbewogen in enorme auto’s, de klanten van haar moeder deden dat ook. Maar bij de rijbewijsloze DJ Nick Nack zat dat er niet in. Gelukkig was er ter compensatie een compleet programma aan Apple-spullen op de markt.

Hij had laatst een U-vormig bankstel gekocht met flink veel kussens waarin hij lekker kon wegkruipen. Ze zag dat er nog amper op was plaats genomen. En ook nu zat of lag hij niet op de bank. Er hing niets aan de muur, behalve een ingelijste originele poster van The Man with the Golden Gun. Nick Nack stond prominent naast James Bond, geflankeerd door een blondine en een brunette in bikini.

Midden in de kamer stond een gong die even hoog was als de Chinese kast. Hoe het ding boven was gekomen had hij nooit verteld, maar als je erop sloeg trilde het pand uit elkaar. Ze keek naar buiten, naar de stadspaleizen waar mensen woonden die nooit in een café kwamen, laat staan op haar feestjes. Ze had de Koningin een keer naar binnen zien gaan, in het gezelschap van een mevrouw die verderop woonde en die ze wel eens tegenkwam bij de slijter op het Frederiksplein.

Vaker nog zag ze de Burgemeester en de directeur van het Rijksmuseum of die van de Opera. Kortom: er werd daar ook nog weleens wat georganiseerd, maar nooit door Party Planning Ibiza. Zo stond er in plaats van een dragqueen een bewaker voor de deur. Die was vast niet in dienst van een of ander Turks securitybedrijf, want voor zover ze het kon zien was het een soldaat of politieagent in galauniform.

De genodigden kwamen niet op scooters of in van housemuziek stampende rammelkasten, maar waren lopend of werden afgezet door een donkere Audi of Mercedes. Het was een circus op zich, maar dan wel een waarvoor ze geen kaartjes had.

Ze schrok. Eigen werk eerst, aldus haar moeder. En vooral niet wegdromen nu. Want over circusartiesten gesproken: waar was Nick? Niet in de woonkamer, dat stond vast. Hij was ook niet de deur uit – het alarm was niet afgegaan – dus was hij binnen. Dat kon maar één ding betekenen: hij lag te slapen.

In marstempo liep ze door de gang naar de slaapkamer. Opnieuw dacht ze aan haar moeder. Godver, ging dat mens nou nooit uit haar systeem? Ze had de gewoonte hun achternaam op z’n Frans uit te spreken. Het sloeg nergens op (haar meisjesnaam was trouwens De Boer) en het was wel eens voorgekomen dat ze zich voorstelde aan iemand die vervolgens in de lach schoot.

Ook dát hoorde niet, maar het maakte wel duidelijk dat zij  – Moeders dus – er niet echt bij hoorde. En erbij horen, daar draaide volgens haar alles om. Iedereen was een potentiele klant.

Nina vond dat gruwelijk. Jammer van die klanten, maar zij hoorde het liefst helemaal nergens bij. Ja, bij Nick dan, maar of dat altijd zo’n feest was? Ze had overwogen hem ten huwelijk te vragen. Lekker ouderwets en uiteraard zou ze meteen zijn achternaam hebben aangenomen.

Maar telkens wanneer dat idee bij haar op kwam, schrok ze ervan. Niet alleen omdat er met Nick niet viel te leven, ook kon ze hem onmogelijk aan Moeders voorstellen.

‘Wat? Een bootvluchteling? Kind toch! En die heb jij ten huwelijk gevraagd? En niet eens omgekeerd? Jezus, Maria, Jozef, wat een ellende… oh… oh… oh… Alles heb ik voor je opgeofferd. Je vader, de zaak, het huis, wat zeg ik: mezelf. En wat doe je ermee? Niks! Oh, lieve meid toch: een evenementenbureau, of hoe noemde je het ook al weer… ‘partyplanning’, hoe kom je erop. Dus die jongen is een diedjee? En hij kan zelf zijn broek ophouden? Maar je zegt net dat hij een soort gehandicapte is, een lilliputter, een dwerg! Oh God, lieve Heer in de Hemel, stort je maar in het verderf! Nou ja: als je maar weet dat je van mij geen cent meer krijgt. Geen cent! Niet voor je huwelijk, niet voor die jongen, niet voor jou, nergens voor. Niks!’

4.

In het reusachtige bed leek hij nog kleiner. Alsof een Pekinees in de mand van een Sint Bernard was gaan liggen. Hij was naakt en lag als een foetus bovenop de lakens. Het dekbed bedekte alleen zijn  voeten en kuiten. Ze keek naar zijn borstkas. In het ritme van zijn ademhaling gingen zijn tepels omhoog en omlaag.

Interessant, maar de tijd begon te dringen. ‘Daar ben ik dan!’ riep ze. Ze schoof het raam op en neer en liet de onderkant expres een paar keer op de vensterbank kletteren. Niet prettig voor de buren, die herrie, maar ze waren wel wat gewend.

Nick bleef doorslapen. Daarom liet ze nog een stuk of tien keer de ramen op de vensterbank ploffen. Het hielp niet. Toen werd ze het zat. Ze sprong op bed, schudde aan zijn armen en riep: ‘Nicky! Wakker worden! Je moet naar de Air!’

‘Noem me geen Nicky en ik ga niet,’ mompelde Nick. Hij duwde haar van zich af en verdween in de lakens. ‘Nick, doe me een lol. Word wakker, ga douchen, kleed je aan, loop de brug over en meld je bij de portier. Desnoods ga ik mee. Heb je gegeten?’

‘Nee. En ik hoef ook niet te eten want als je straks weggaat ga ik gewoon weer slapen.’

‘Dat doe je niet, want alles is al afgesproken en afgerekend. Je kunt me niet nog een keer voor lul zetten. Ik heb die jongens net weer een beetje onder de duim en ik heb ze betaald zonder bon of contract. Hier, ik heb al je setjes mee op een stick. Zelfs  de extended version van de The Man with the Golden Gun, dus niet zeiken. Kom op, je bed uit, we…’.

‘Kop dicht,’ zei Nick. De ‘o’ en de ‘i’ sprak hij extreem langzaam uit. Hij draaide zich om en duwde zijn hoofd in het kussen. De zijkanten hield hij tegen zijn oren om niet te hoeven luisteren.

Het was inmiddels donker geworden in de kamer. Ze deed het licht aan en draaide de knop van de dimmer helemaal naar rechts. Gelijk zag de slaapkamer eruit als een operatiezaal. Op het bed en de wasmand na, stonden er geen meubels. ‘Godver Nina, hou daar mee op en laat me slapen,’ murmelde hij onder het kussen vandaan.

Ze begon het overtrek van het dekbed af te halen. Daarbij zei ze telkens op zeurende toon: ‘Wakker worden, wakker worden, wakker worden…’. Het dekbed legde ze onder het geopende raam in de vensterbank en het overtrek gooide ze in de wasmand. Nu moest ook het laken eraan geloven. Ze trok het met een ruk weg, waardoor hij met kussen en al van het bed rolde. Want hoe stevig hij ook in elkaar zat, toch woog hij nauwelijks zestig kilo. ‘Jezus trut,’ klonk het vanachter het bed, ‘ik vermoord je.’

‘Heel slim. Maar denk liever aan het geld dat je nog van me krijgt. En nu douchen en aankleden.’

‘Never,’ zei Nick en kroop onder het bed. Oh verdomme, dacht ze. Kloothommel. Ze keek op haar Samsung. Ze was nu al een kwartier in z’n appartement en nog niets opgeschoten. ‘Nicky,’ zei ze, ‘ik ga een emmer met water vullen en als ik terug kom en je ligt nog steeds achter het bed dan…’

‘Noem me geen Nicky,’ klonk het van onder het matras. ‘Dat is al de tweede keer vanochtend.’

‘Vanavond, bedoel je. En dat is het al lang. Dus kom achter dat bed vandaan, want we hebben gewoon onze afspraken en daar houden we ons aan. Hup, doe niet zo flauw.’

‘Ik zei nee…’.

‘Dan ga ik die emmer water halen.’ Er klonk wat gerommel achter het bed. Nick ging op zijn knieën zitten waardoor hij met zijn hoofd en schouders boven het bed uit kwam. Hij leek nu net een Japans stripfiguurtje en ze moest zich inhouden niet te gaan lachen.

‘Nina,’ riep hij, ‘ga naar huis of ik sla je in elkaar. Ik ga niet naar Air. Ik ga slapen. Hup, naar beneden en trek de deur goed achter je dicht. Anders heb ik weer gelazer met de buren.’

‘Ik ga niet weg zonder jou en breng je naar Air. Zo simpel ligt dat.’

‘Kutwijf!’ riep Nick. Hij stond op, rende om het bed heen en greep haar heupen. Ze deinsde achteruit, eerst tegen de wasmand, toen tegen de deurpost en tenslotte viel ze achterover de gang in.

Hij wilde haar een trap in haar maag geven, maar zijn blote voetje raakte knalhard de druivenknop van de gesp van haar riem. Ze hoorde iets kraken. ‘Aw! Godver bitch, dat deed je expres!’ schreeuwde hij. ‘Hoe kan ik dat nou expres doen? Jij trapt me toch zelf? Ik…’ Ze struikelden allebei de woonkamer in en rolden over de vloer naar de gong. Vijf minuten, dacht ze. Vijf minuten, maar wat duren ze lang. Die usb-stick moest ze niet vergeten straks.