Author Archives: Norbert Splint

About Norbert Splint

Rotten Childhood is het privéblog van de Amsterdamse tekstschrijver Norbert Splint. Op dit blog lees je over zijn verbazing, ergernis en woede. Er wordt van alles de stront in geduwd: de vanzelfsprekendheid van een gezinsleven, de noodzaak van een publieke omroep, de PvdA, kortom: je kunt het zo gek niet bedenken of het is onderwerp van een posting. Rustig of druk, zwalkend of strak, rancuneus of vergevingsgezind: alle gemoedstoestanden komen langs. Verdere gespreksonderwerpen: ‘Wat moeten mensen toch buiten de stad?’, ‘Het onnatuurlijke van heteroseksualiteit (of: van monogamie)’ en ‘Waarom vrouwen zo graag fietsen.’ Elke vrijdag krijg je –gratis- een aflevering van De ZorgPartij. een klucht in de vorm van een feuilleton. De ZorgPartij behelst het eerste en tevens laatste jaar van de politieke loopbaan van Homo Blad-hoofredacteur Harry Kardol. Omdat zijn tijdschrift een stille dood dreigt te sterven en hij daardoor brodeloos wordt, aanvaardt hij het aanbod lijsttrekker te worden van de ZorgPartij (ZP). Eclatant verkiezingssucces leidt tot het fractievoorzitterschap en een bliksemcarrière in Den Haag. Harry’s roem stijgt tot grote hoogten en in de peilingen stijgt zijn zetelaantal navenant. Totdat spoken uit het verleden opduiken. Reageren: kan. Maar net als in het echte leven geldt ook hier: verwacht nooit iets terug.

Presentatie verhalenbundel Dood kind groot succes

Presentatie verhalenbundel Dood kind groot succes

Dinsdag 6 november vond de presentatie plaats van Norbert Splint’s eerste verhalenbundel Dood kind. In een afgeladen VOC Café De Schreierstoren overhandigde Jeroen van der Starre van Uitgeverij U2pi het eerste exemplaar aan Guus Sluiter, directeur van Nationaal uitvaartmuseum Tot Zover.

De avond werd gepresenteerd door uitvaartondernemer en columnist Niels Jens van Niels Jens Uitvaartzorg. Het publiek, soms ingetogen, soms uitgelaten, bemachtigde snel een gesigneerd exemplaar. Splint: ‘Dat iedereen enthousiast is, doet me natuurlijk deugd. Ook ben ik blij met aandacht in vakbladen als Relevant (NVVE) en Vakblad Uitvaart (ondertitel: “Onafhankelijk tijdschrift rondom de dood”). Daarnaast verschijnen artikelen in bekende gay media als De Gaykrant en Gay News, zowel print als online.’

Inmiddels ligt het boek ook gewoon in de boekwinkel, bijvoorbeeld Scheltema aan het Rokin. De grootste en beste boekwinkel van Amsterdam. Wie te lui is of geen zin heeft om de deur uit te gaan, kan natuurlijk ook gewoon naar de webwinkel. Google ‘Norbert Splint dood kind’ en het wijst zich vanzelf.

 

Brief uit New York

Om mijn negenenveertigste verjaardag iets draaglijker te maken, verbleven Philippe en ik vorige week in New York. Je moet toch wát, als je een bijna fysieke afkeer hebt van jaarlijks terugkerende gebeurtenissen als Kerst, Koningsdag en je geboortemoment.

Het woordje ‘bijna’ is trouwens een eufemisme: als ik de verhalen van mijn moeder mag geloven, ging ik tot mijn twaalfde de eerste week van oktober elke dag over mijn nek.

Een middagje opera

We logeerden in het appartement van Amsterdamse vriend P. In een ver verleden kregen we hem zo gek getuige bij ons huwelijk te zijn. Dit keer was hij gastheer en reisleider in de Big Apple en we zaten dus voor nop in Midtown Manhattan. Tot zover het goede financiële nieuws.

Als verjaardagscadeau hadden de heren een middagje opera gepland. Ik ben natuurlijk zo’n lul die even online gaat kijken wat zoiets kost en ik zag zesderangsplaatsen voor $ 315,-. Een vergelijkbaar kaartje kost in Amsterdam (met volgens velen – inclusief ondergetekende – het beste operahuis ter wereld) de helft. Natuurlijk: de andere helft is subsidie, maar toch.

Hetzelfde geldt voor musea en andere attracties. Metropolitan Museum: $ 25,-. Het MoMa (alleen de vijfde en hoogste verdieping is interessant en er was zichtbaar en hoorbaar een verbouwing aan de gang): idem. The Frick Collection (google it): ongeveer precies hetzelfde. En even op en neer naar de zeventigste verdieping in het Rockefeller Center: $ 44,- (pp.) inclusief verplichte film, foto en wachtrij.

Failliet

Voor horecatijgers als ik is New York een ramp. Restaurant- en cafébezoek kost een fortuin. Een minder dan gemiddelde fles wijn bestel je voor $ 44,-. Voor de duidelijkheid: in een minder dan gemiddeld restaurant, waar elke gang minstens $ 25,- kost. Ex de fooi van 20% dus. Als we in plaats van zes dagen, zes weken waren gebleven, waren we failliet geweest.

Even terug naar die subsidies, of liever: de afwezigheid daarvan. Gek genoeg is openbaar vervoer goedkoop, zelfs de veerponten die om Manhattan heen varen kosten bijna niets. Een fantastische optie voor wie de woekeraars ten zuiden van het financial district (Wall Street!) wil vermijden. En over lage prijzen gesproken: fans van Nike, Levi’s en Tommy Hilfiger zijn in New York aan het juiste adres.

Maar er is meer vrolijks. Winkeljongens en -meiden zijn cool. Ik wilde hier eerst schrijven: ‘vet’, maar dat is in dit verband wat al te letterlijk. Philippe’s prachtige benen werden aan een test onderworpen middels het passen van een rokje. De sneakerverkoper trok op commando niet alleen zijn schoenen, maar ook zijn sokken uit – wat natuurlijk nóg geiler is – en de jongen van de souvenirshop bij de gym om de hoek van ‘ons’ appartement deed shirtless zijn oefeningen voor.

Zelfs de biljarttafel staat op dezelfde plaats

Doordat zowat iedereen in New York openlijk LHBT+ kan zijn, valt het homo-uitgaansleven wat tegen. Als je nooit en nergens de hetero hoeft uit te hangen, waarom zou je dan ‘s avonds naar een gay bar of een party gaan? Buiten dat: online is een date zo gescoord. Voor seks hoef je de deur niet meer uit. Of je nu in Amsterdam woont of in New York.

Mede daardoor maakt bijvoorbeeld de iconische Stonewall Inn een anachronistische indruk. Het café (toch al een zeldzaamheid in Manhattan) verschilt in niets van de Amsterdamse Spijkerbar. Zelfs de biljarttafel staat op dezelfde plaats. Het is daar 1998, wat ons deed denken aan de periode waarin we de onheilspellende leeftijd van dertig jaar naderde. Dit gevoel werd nog versterkt door muziek uit de nineties, de uit elkaar vallende barkrukken en de rolstoel-wc op de eerste verdieping.

Maar goed, vermakelijk was het allemaal wel. Ook leuk was het, dat de portier de fooi weigerde. Dat maakte het uitgaan voor New Yorkse begrippen toch een stuk voordeliger. Als ik goed reken, word ik volgend jaar vijftig. Dan heeft Philippe een reisje naar Tokyo gepland. Vast een stuk goedkoper.

Microben aan het neuken

Op 6 november aanstaande verschijnt mijn nieuwe verhalenbundel Dood kind bij de Haagse uitgeverij U2pi. Inmiddels zijn de beslissingen genomen over de voorkant, de achterplat, de rug en niet te vergeten over de inhoud.

Thans zijn we in het redactiestadium. Ik kreeg een Pak van Sjaalman binnen van een enthousiaste redactrice die mij aangaande sommige onderwerpen stevig met mijn neus op de feiten drukte.

Zo komt er een verhaal in het boek voor dat gaat over een joodse vrouw die… (en dat verklap ik niet). Het gaat om dat joodse… of Joodse (let op de hoofdletter). Commentaar van de redactrice: ‘Een Jood behoort tot het Joodse volk, het Jodendom (in etnisch-culturele zin), de Joodse gemeenschap, enz. Als het om een religieuze aanduiding gaat, zijn jood, jodin, joods en jodendom juist, met een kleine letter, net als christen, christendom, hindoe, hindoeïstisch, moslim en moslima.’ Wat je natuurlijk behoort te weten als je ook zelf in het vak zit.

Maar er is meer. Plotseling word je geconfronteerd met (je gebrek aan) correct leestekengebruik, zaken als ‘o’ en ‘oh’ en het al dan niet gebruiken van een hoofdletter als de Heilige Familie ter sprake komt. Ook ben ik geen ster in de distributie van haakjes, streepjes en tussenwerpsels om nog maar te zwijgen van puntjes op het eind…

Het is gemiereneuk (of is dat met dubbel n?), maar dat kan nu eenmaal niet anders in dat even veelbesproken als veelgeroemde (en vervloekte) redactiestadium. Desondanks doet het me denken aan een artikel dat ik 25 jaar geleden moest lezen van een Universitair docente Taalkunde. De titel van het stuk luidde: ‘Wat betekent ‘toch’ toch?’ Kijk, dan weet je het wel. Hier waren geen mieren, maar microben aan het neuken. Mevrouw was dan ook niet blij met mijn reactie onder de titel: ‘Wat betekent ‘nou’ nou?’

Gelukkig leeft ze niet meer.

Hoewel ik beken benieuwd te zijn naar wat ze had gevonden van de geredigeerde versie van Dood kind.

Het ene boek (Dood kind, verschijningsdatum 6 november 2018) ligt nog niet eens bij de redacteur, of het openingsverhaal van het andere boek (Kerstcantate, te verschijnen 2021) is in handen van de eerste lezer. Eigenlijk best trots op de beste openingszin (van mij dan) ever! Volg dit blog voor meer info over Dood kind en het vervolg.

Roy Roelvink aan je voeten: men only

De Amsterdamse vlogger en influencer Roy Roelvink (21) lanceerde vandaag zijn nieuwe sandalenlijn. Roy deed dat middels een flashmob voor de winkel van Oger, zijn parttime werkgever. Er kwam een kleine 1000 belangstellenden op af, voornamelijk meisjes en jonge vrouwen. Maar uitgerekend voor het vrouwvolk zat er een adder onder het gras.

Roy, die ook als dj optreedt, verklaart het succes van zijn stappers door de eenvoudige vormgeving: “Ze zijn net als ik: open, sexy, maar zonder toeters en bellen”. Of de sandalen – eenvoudigweg ‘Roy’ genaamd – ook bij Oger in de etalage komen te liggen weet hij niet. De prijs is met € 499,= per paar voor Oger-klanten niet onoverkomelijk, maar “…ik heb het eigenlijk nog niet met Sander en Martijn besproken. Het zou zo maar eens kunnen”.

Win/win

Het is verbazingwekkend dat juist nu de hittegolf voorbij is een sandalenlijn wordt gepresenteerd. Waarom niet in de lente of in de zomer? Roy, ook bekend als rapper, zegt hierover: “Door mijn sandalen te dragen als het wat kouder wordt, geef je natuurlijk wel een statement af. Zo van: ik ben helemaal Roy. Als je in de zomer sandalen draagt, ben je mainstream, maar in de winter ben je een baas.”

Wat ook vragen oproept, is waarom reality-ster Roy ondanks zijn status van dj, rapper, vlogger en influencer nog altijd vier dagen per week bij Oger in de winkel werkt. “Dat zit zo,” verklaart Roy: “iedereen moet zich verzekeren voor ziektekosten. Stom. Want ik ben nooit ziek. Kijk: zo’n eenmanszaak als ‘Rap as Roy’ kost alleen maar geld in plaats van dat het iets oplevert. Werken in Nederland loont niet. Dat heb ik al jong van mijn vader geleerd. Dus als je een paar dagen per week voor een tientje per uur in een winkel gaat staan, betaalt die winkel de ziektekostenverzekeringspremie. Dat heet win/win. Need I say more?”

Alleen voor mannen

Roy draagt de sandalen ook zelf: op zijn Instagramaccount (tharealroy) zien we een fraai zwart model dat zich perfect sluit om Roy’s sterke, gebruinde voeten. “Natuurlijk. Ook dat heb ik van mijn pa geleerd: practise what you preach! Draag je eigen spullen.” Roy betaalde vast niet die € 499,= per paar. “Niet echt nee, sorry. Maar ja: dat is ondernemen. Iederéén kan het.” Voor al die meisjes en vrouwen die op de flashmob afkwamen en een paar Roelvinkjes aan hun voeten willen, heeft Roy slecht nieuws: de sandalen zijn er alleen voor mannen. Men only dus, in goed Nederlands.

Gaan we weer…

…ben je bezig met de publicatie van een nieuw boek, neemt het randgebeuren je meer in beslag dan de inhoud. Neem nou het ontwerp van de kaft. Eerst dacht ik aan de lay out van een rouwkaart. Weet iedereen meteen waarover het gaat, aangezien de titel luidt: Dood kind. Gaan we doen. Maar dan de achterkant.

Normaal gesproken staat daar een biootje en een samenvatting. Dat wil ik dit keer op de voorkant, want die lijkt dan meer op een rouwadvertentie. Blijft de achterkant leeg, maar niet heus.

Veel schrijvers en uitgevers gingen ons voor als het gaat om het vullen van de achterflap met op posterformaat het portret van de schrijver. Daaronder veel lelijkerds (klik de foto maar op). Juist mijn knappe collegae kozen voor een afbeelding op postzegelformaat ergens rechtsboven of -onder het omslag.

Niet slim. Sex sells en hoewel topsporters over het algemeen wat fotogenieker (lees: geiler) zijn dan schrijvers, mogen sommigen van mijn vakgenoten er best zijn. Ik ben zelf niet lelijk, maar ook niet knap. Vandaar dat ikzelf, de uitgever, de fotograaf en de ontwerper (in volgorde van belangrijkheid) nog altijd zitten te dubben over de kaft.

Tot zover het randgebeuren. Nou de inhoud nog…

Dood kind

Hoewel niemand dit blog meer volgt – terwijl ik natuurlijk hoop dat dat binnenkort anders is – meld ik toch maar dat begin november mijn verhalenbundel Dood kind verschijnt, wederom bij Uitgeverij U2Pi.

Tante Trees

Het meest teleurgesteld was ze nog wel in het oudste lid van het dameskoor: ‘tante’ Trees. Ze was ver in de tachtig, dus met een beetje geluk had het haar moeder kunnen zijn. Ze was al lang weduwe en daarnaast had ze al vroeg een paar kinderen verloren. Typisch van die polderongelukken trouwens. Op een onverlichte ventweg tegen een boom aanrijden, met een gestolen tractor stilstaan op een spoorwegovergang en meer van dat soort dingen. Natuurlijk waren alle jongens in kennelijke staat, maar dat las je nergens – en al helemaal niet in het plaatselijke suffertje. Oh, wat miste ze Het Parool. Dat werd hier niet eens op de brommer bezorgd. Per post kon het wel. Dan kwam de krant de dag na de verschijningsdatum, maar dat vond ze te laat.

Het hele dorp was vol bewondering over hoe Trees telkens weer de draad had opgepakt. Na de dood van haar zoons was ze niet bij de pakken neer gaan zitten, maar had hun spullen bij elkaar geraapt en meegegeven aan het Leger des Heils. Toen haar man stierf – ook alweer twintig jaar geleden – slaagde ze erin het melkveebedrijf te verkopen aan haar buurman, terwijl ze zelf in de boerderij mocht blijven wonen. Gratis. De buurman betaalde zelfs de belasting.

Met opgeheven hoofd liep ze door het dorp. Het eerste jaar in het zwart, daarna kleurrijk maar stemmig. Ze was immers de jongste niet meer. Nooit zou ze hertrouwen. Mannen kwamen trouwens wel bij haar over de vloer en bleven dan de hele nacht. De precieze reden daarvoor was onduidelijk want ze was hoogbejaard. Nou zijn veel hoogbejaarden bereisd of belezen of allebei, maar Trees was geen van beide. En hoewel ze niet de dwergachtige gedaante van Mieke had, was ze op een andere manier niet om aan te zien. Ze had kleine ogen in diepe kassen, een haviksneus en een klein, zuinig mondje. Haar ingevallen wangen accentueerden haar brede jukbeenderen. Het spleetje dat haar mond moest voorstellen, opende zich nauwelijks als ze sprak en ook leek het alsof ze niet kon lachen. Zelfs tijdens een huwelijksmis keek ze zorgelijk. Ze zei nauwelijks iets en blijkbaar hoorde ze slecht want als je haar iets vroeg, riep ze: ‘Hè? Hè!’

Argwanend priemden haar oogjes de wereld in en ondanks dat ze op wat tegenslag in haar privéleven na nauwelijks ervaringen had opgedaan, straalde ze iets hautains uit. Alsof ze zeggen wilde: ‘Je hoeft mij niets te vertellen hoor, mij maak je niks wijs! Ik weet er alles van!’ Wie wel eens een krant las, wist dat het omgekeerde het geval was: ze had geen feitenkennis, maar ze beweerde van wel.

Ze was nauwelijks het dorp uit geweest. Ooit stond ze nummer 2 op de lijst van het CDA voor de gemeenteraadsverkiezingen. Er was een folder verspreid met een foto waarop ze voordelig uitkwam. Daaronder stond een aanprijzend praatje dat begon met de zin: ‘Trees Beemsterboer is in haar leven één keer verhuisd: van het huis waar ze geboren is, naar het huis ernaast.’ Het zal wel, had Sophie gedacht terwijl ze het velletje had weggegooid. Ze moesten toch wat verzinnen tijdens een campagne voor zo’n omhooggevallen, omhooggevallen… tsja wat eigenlijk?

Maar ja: ze bewoonde wel de grootste boerderij van West-Friesland. Intussen kon niemand haar wat maken: ze deed niets wat niet mocht, woonde voor nop en had een miljoen op de bank. Ze was een notabele, maar dan zonder titels of functies. Scheutig met complimentjes was Trees niet. Maar Sophie had van haar toch wel een goedkeurend woord verwacht.

Piet-Jan was onder bedenkelijke omstandigheden om het leven gekomen en de plechtigheid was allesbehalve stemmig verlopen. Zijn stapvrienden waren komen opdagen en hadden zich niet gedragen zoals het hoort. Voortdurend zaten ze met elkaar te kletsen en nu en dan schoot er iemand in de lach.

De priester had zich met de situatie geen raad geweten. Logisch: in Nederland waren de seminaries gesloten, dus jonge pastoors kwamen uit Latijns-Amerika. Qua oppervlakte reusachtige parochies moesten het met één gewijde priester doen. Kwam de man uit het buitenland – en dat was steeds vaker het geval – dan verwachtte hij met respect behandeld te worden, zodat hij de mis ordentelijk kon leiden. Tijdens de uitvaart van Piet-Jan bleek dit niet te kunnen, maar Sophie had de man Gods voor al te grote missers  – een vloek bijvoorbeeld – behoed.

Enfin, dacht ze: dat een pastoor nooit een woord van dank wijdde aan het dameskoor, dat wist ze wel. En de nabestaanden hadden ook wel wat anders aan hun hoofd dan haar te bedanken. Toch had ze van prominenten uit het dorp wel een compliment verwacht. Maar Trees had haar niet eens toegeknikt. Niemand van het koor trouwens, laat staan de burgemeester of de boer die haar het vlees bracht. Na afloop stond Sophie gewoon als ieder ander in de rij om Piet en Mieke te condoleren. Wie weet, was uitgerekend Trees voor Mieke een grote steun geweest, overwoog ze op de fiets naar huis.