Carnaval!

Maar er was meer aan de hand. Alle politieke partijen verenigden zich een keer per jaar tot een veelkoppig monster met talloze tentakels. De naam van het beest was Carnaval en het werd voortgedragen op een praalwagen van meer dan twintig verenigingen die dit festijn in Eindhoven, excuus: Lampegat, organiseerden. PSV mocht dan weliswaar niet elk seizoen kampioen worden: Carnaval werd het ieder jaar weer. De vergaderingen die de carnavalsverenigingen belegden verschilden niet veel van de beraadslagingen in de gemeenteraad: de onderwerpen waren hetzelfde en het niveau ook. Alleen was de Burgemeester er niet bij: dat was immers geen Eindhovenaar, maar naar goed landelijk gebruik een gesjeesde PvdA-politicus uit de Randstad.

Toen Harry zich op zekere dag kandidaat stelde voor de functie van Prins Carnaval ontstonden er moeilijkheden. Immers: de prins wist zich altijd vergezeld van een lieftallige jonge prinses die er bij voorkeur maagdelijk en onschuldig uitzag. En als het even kon de dochter was van een Eindhovense kroegbaas, waterbeddenverkoper of begrafenisondernemer. Het vrouwelijke equivalent dus van de misdienaars in de Catharinakerk.

Dat Harry het bed deelde met Jaap was een publiek geheim, maar verder geen punt. Alleen: de carnavalsprins en zijn adjudant inzetten als homopromotie lag in het Katholieke Zuiden halverwege de jaren ’70 nog gevoelig. Harry toonde zich ontstemd en dreigde, met hulp van de plaatselijke PSP, de publiciteit te zoeken. Maar daar hadden de carnavalsverenigingen – of de gemeenteraad, dat wist niemand meer achteraf – iets op gevonden.

Want de elfde van de elfde was nog niet aangebroken of de duiventil van Lampegat stond weer eens wagenwijd open. Het Eindhovens Dagblad, niet geheel toevallig schuin tegenover het Stadhuis gevestigd, raakte niet uitgeschreven over de talloze ambtenaren en politici die rollebollend over straat gingen en ten slotte op de keien belandden. De meest prominente figuur in het conflict, dat ging over de overschrijding van het budget voor negentig meter fietspad in een winkelgebied, was een VVD-wethouder die moest aftreden wegens loslippigheid. Maar nog veel zichtbaarder was een corpulent Gemeenteraadslid van dezelfde partij, dat zich half november ten stadhuize meldde om hem op te volgen. Alle puzzelstukjes vielen op hun plaats. Een gezellige Eindhovense banketbakker die luisterde naar de naam Alex Michiels – absoluut geen familie van de jonkheren Michiels van Kessenich – werd Prins Carnaval. En tot wethouder van Onderwijs en Economische zaken werd benoemd: Harry Kardol.

De driekwart eeuw van mijn vader…

Onlangs werd mijn vader 75. Makkelijk heeft hij het niet gehad. Maar heel moeilijk was het ook weer niet voor hem in de driekwart eeuw die hij nu heeft geleefd. Op zijn zestiende ging hij werken bij de Nederlandsche Handelsmaatschappij die fuseerde met de Twentsche Bank tot de Algemene Bank Nederland (ABN). Hij maakte het ook nog net mee dat de ABN samenging met de AMRO. In de fusienaam ABN AMRO manifesteerde zich het gebrek aan empathie van bankiers, iets waar mijn vader ook altijd last van heeft gehad.

 

Het samenklinken van de twee grootbanken leidde tot het einde van vaders carrière. Wel bleef hij het nieuws rond de bank volgen. Toen Jan Kalff werd opgevolgd door Rijkman Groenink liet mijn vader weten dat die ‘de bank om zeep zou helpen’. Een doortastende blik. Intussen had hij een aardig pensioen opgebouwd. Niet alleen voor hemzelf, maar ook voor zijn twee zoons. Dat is meteen de reden dat ik voor dit magazine kan schrijven. Het is maar dat u het weet.

 

Minder doortastend was mijn vader in zijn uitspraken over homoseksualiteit, althans vroeger. Toen ik twintig jaar geleden uit de kast kwam, opperde hij dat ‘homo’s meestal niet gelukkig worden. Niet zo gelukkig als getrouwde paren tenminste, want die krijgen kinderen en later kleinkinderen.’ Deze redenering vormde overigens het slotakkoord van een discussie die begon met vaders stelling dat ‘homo’s aids krijgen omdat ze er maar op los neuken’.

 

De arme man. Het idee dat homo’s niet gelukkig worden, wordt telkens als zijn zoon en schoonzoon komen aanwaaien de grond in geboord. Om hem heen springt dan ons hondje Pollo, het enige kleinkind van mijn ouders. En aids? Philippe en ik gaan aardig los in Amsterdam en Barcelona, maar ieder half jaar worden we kerngezond verklaard. Ik weet niet of het daardoor komt, maar mijn vader heeft laten doorschemeren dat hij zijn mening over homo’s wel wat heeft bijgesteld. En dát is pas echt een felicitatie waard.

 

Gay Krant, juni 2007

 

Braak!

Stop de persen! Joop Braakhekke gaat trouwen! Motivatie: de Islam wordt de grootste godsdienst van Nederland. ‘Ik wil niet afwachten tot de huidige vrijheden weer worden afgebouwd’, aldus de eigenaar van restaurant ‘Le Garage’. ‘We gaan trouwen omdat we zekerheid willen.’ Joop en zijn aanstaande zijn al vijfendertig jaar samen en hadden in die vijfendertig jaar natuurlijk ook gewoon een testament kunnen opstellen. Of negen jaar geleden voor het Geregistreerd Partnerschap kunnen kiezen. Een late reactie dus van de kookgek, want de opkomst van de Islam kon een al paar decennia terug door iedereen worden gesignaleerd. Maar niet door Joop dus.

 

En dat terwijl hij tien jaar geleden het slachtoffer was van een opzetje van televisiejournalist Jaap Jongbloed. Die stuurde een vracht behoofddoekte dames naar ‘Le Garage’. Ze werden er door de functionaris van dienst vakkundig uitgewerkt met als smoes dat ‘het restaurant was volgeboekt’. Een kwartiertje later kwam een Rafael-en-Sylvie-achtig stel binnen. En werd – zonder reservering nog wel – toegelaten, waarmee volgens Jongbloed een flagrant geval van discriminatie was aangetoond. De beelden van de verborgen camera deden het prima in het politiek correcte Nederland van midden jaren ’90. Joops woede-uitbarsting in de studio – waar hij uiteindelijk kwaad wegliep omdat hij beschuldigd werd van een misdaad – haalde het journaal. Sindsdien staat Braakhekke niet bepaald bekend om zijn tact.

 

Onlangs nog liet hij via een open brief in zijn huisorgaan De Telegraaf weten dat hij het rookverbod voor de horeca onzin vond omdat nu eenmaal niemand wil dat we ‘allemaal 150 jaar oud worden’. Maar ook van zijn zakelijk inzicht moet Joop het niet hebben. Afgelopen herfst bungelde hij ergens onderaan een lijstje met Rijke Homo’s met een geschat ‘vermogen’ van twee miljoen euro. Daar komt in Amsterdam Zuid niemand voor uit zijn stoel. En om een bezoek te brengen aan ‘Le Garage’ trouwens ook niet. Stel je voor dat je er dood gevonden wordt.

 

Nou moet ik toegeven dat Philippe en ik zijn er één keer zijn geweest. De smaak verging ons meteen – met dank aan de Las Vegas-achtige ambiance en het uit makelaars en KLM-stewards bestaande publiek. Hun kappersautootjes voor de deur contrasteerden sterk met de Porsches en Maserati’s verderop in de buurt. Een nichtenmoeder van het type Conny Breukhoven – misschien wás ze het wel trouwens – zag zich genoodzaakt bij ons op schoot te kruipen door het gebrek aan ruimte tussen de tafeltjes. Toen ik daar tegen de ober iets van zei, merkte hij op dat dit juist de gezelligheid bevorderde. En gezelligheid, daar wist hij alles van. Want hij had jarenlang op het Leidseplein gewerkt. ‘Ik merk het,’ zei ik terug.

 

Joop had zijn dag niet want het eten was waardeloos. De sterallures van de kok manifesteerden zich pas toen de rekening werd gepresenteerd. Sindsdien beschouwen wij ‘Le Garage’ als het restaurant met de slechtste prijs/kwaliteitsverhouding van Amsterdam. Dat wordt nog wat als Braakhekke en echtgenoot de tent straks gaan verkopen. Want wie gaat er bieden op een vreetschuur die zijn voortbestaan dankt aan de bekendheid van de eigenaar? Een bekendheid die bovendien niet gebaseerd is op kookkunst, slimheid of zakelijke prestaties. En ook niet op rijvaardigheid trouwens, want was het niet Braakhekke himself die vorig jaar zijn Mini Cooper (over kapperauto’s gesproken) zonder enige aanleiding de vaart in reed?

 

Desalniettemin wens ik het bruidsbaar een gezegende toekomst toe. En met Joop blijf ik hopen dat het wel losloopt met die Islam. Tot slot een recept voor een geslaagde huwelijksdag. Besteed alles uit wat te maken heeft met gezelligheid en ambiance, laat de bruidstaart door iemand anders bakken en huur voor de trouwauto een chauffeur.

 

Gay.nl, april 2007

Evert vraagt zich af hoe het – met alles – verder moet…

Voorspellen is moeilijk, zeker als het om de toekomst gaat, luidde een Arabisch spreekwoord. Hij had het opgevangen uit de mond van een achttienjarige ober die werkte in Marokkaans restaurant Chomicha. Uit diezelfde mond had hij een paar minuten eerder diens islamitische zaad opgevangen. Eerst had Mo, zo kortte moslims dat na Mohammed B. af, gepocht dat hij zichzelf kon pijpen. Toen de ober daar het bewijs voor had geleverd en Evert dit met een tongzoen had beloond had hij natuurlijk wat van het onreine vocht binnengekregen. Had hij nu een geslachtsziekte, vroeg hij zich af, en zo ja: hoe kwam hij daar achter? Er bestonden allerlei online-testen, zoals dat heette, daar had hij Mo en zijn al dan niet voorspellende gaven niet voor nodig. Inderdaad: internet had de deur naar de wereld wagenwijd opengezet, maar nog altijd had Evert de mysteries van dit medium niet ontrafeld. En Harry al helemaal niet, realiseerde hij zich, nadat hij Mo het bedrijfspand had uitgewerkt met de smoes dat de hoofdredacteur wilde vergaderen.

Een ouderwetse gang naar het al even ouderwetse Diagnostisch Centrum in Eindhoven was uiteindelijk het gevolg. Daar ging Evert compleet door de molen. Chlamydia, Syfilis, Gonorroe, alles kwam langs. Er werd bloed afgenomen, hij moest in een potje piesen en een lesbische verpleegkundige duwde een wattenstaafje in zijn keel en in zijn kont. Het deed ontzettend pijn. Zie je wel, dacht hij, God straft onmiddellijk. Toch was dat niet helemaal waar, want toen hij tien dagen later belde voor de uitslag kreeg hij te horen dat hij niets onder de leden had. Dennis had hij natuurlijk niets verteld.

‘Koffie!’ klonk het uit de keuken. Hij had het niet eens geroken, in gepeins verzonken als hij was. Met zijn gietertje en de theedoek liep hij naar de eetbar. Daar stond zijn kopje koffie al klaar, bijna overlopend van suiker en melk, zoals hij het graag had. Gedachteloos roerde hij het goedje door elkaar. Harry zou hij niet zo vaak meer zien, nu die tot het hogere was geroepen. Maar ja: hoe moest het dan verder met het Homo Blad? Voorspellen is moeilijk, zeg dat wel. Werd hij hoofdredacteur? Werd Alphons dat? Of kwam er iemand van buiten?

Op het kerkhof

De periode tussen Kerst en Oud en Nieuw is agendatechnisch een soort niemandsland. Werken heeft niet zo veel zin. En omdat iedereen er zo over denkt is heel Nederland vrij. De ene helft van de vakantievierders gaat winkelen en de andere helft neemt de wijk naar het buitenland. Dat doe ik de rest van het jaar ook al. Daarom maak ik eind december van de gelegenheid gebruik om kerkhoven te bezoeken.

 

Ik heb drie favorieten. Op de eerste plaats Ockenburg, in de duinen bij Den Haag. Daar ligt mijn vorige partner begraven, u weet wel: die jongen die geschept werd door een Ghanese illegaal die drugs en prostituees van de Bijlmer naar de Wallen vervoerde en weer terug. Waarschijnlijk valt hij nu onder die fijne pardonregeling van Wouter Bos.

 

Maar laten we het gezellig houden. Tussen de zerken bevindt zich veel blijvend groen. Naaldbomen en struiken vol distels wisselen elkaar af en zelfs in dit barre jaargetijde ontkiemt er nu en dan een plantje tussen de resten van een verwaarloosd graf. Net als in de wereld der levenden liggen de moslims ergens apart. Een wandeling over dit kerkhof staat gelijk aan een blik op de sociologische staalkaart van Den Haag. Telgen van chique diplomatenfamilies als Patijn, Kasteel en De Hoop Scheffer hebben hun eindbestemming gevonden naast het plebs uit de Schilderswijk. Alleen de inscripties tonen het verschil in afkomst.

 

De elite weet hoe het hoort en beschrijft nuchter wie er onder welke steen ligt en van wanneer tot wanneer mevrouw of meneer in dit ondermaanse mocht verblijven. Het vulgus echter pakt flink uit met foto’s en citaten van de ontslapene, in beton gegoten knuffeldieren of complete bouwwerken waaruit de geniale creativiteit van de LTS-er in kwestie moet blijken. Toppunt van wansmaak is de Volkswagen Golf Cabrio (bouwjaar 1979) die als bas-reliëf in een steen is gegraveerd terwijl diezelfde steen vermeldt dat degene die eronder rust in het afgebeelde voertuig om het leven is gekomen.

 

Dat soort fratsen zie je niet op Rooms-katholieke begraafplaats Buitenveldert. Ingeklemd tussen de zuidelijke ringweg van Amsterdam en de Amstelveenseweg is deze oase van rust een geliefde wandelplek voor menig stadsbewoner. En dus ook voor mij. Je bent in de natuur en toch hoor je het gezoem van het verkeer op de A10 en het gedaver van de werkzaamheden rondom het Olympisch Stadion. En als de wind gunstig is snuif je de bakvetgeur op van de ernaast gelegen FEBO Olympia. Heerlijk.

 

Buitenveldert is de favoriete rustplek voor Amsterdamse katholieke families, mits niet afkomstig uit de Jordaan. Op de grafstenen prijken dan ook vooral de namen van de geslachten Vroom, Dreesmann, Van Loon, Brenninkmeijer en – inderdaad – Splint. Ons familiegraf ligt naast dat van Wim Sonneveld. Frappant: in beide kuilen is nog slechts plaats is voor één stoffelijk overschot. Als mijn tijd gekomen is, verdwijn ik niet in het graf van de familie Splint, dat is nu eenmaal zo afgesproken. En in dat van de Sonneveld-clan waarschijnlijk ook niet, hoewel juist daarin alleen maar homo’s liggen.

 

Tot slot neem ik u mee naar Algemene Begraafplaats Onderlangs te Castricum, het dorp waar ik ben opgegroeid. Onderlangs ligt – net als Ockenburg – aan de voet van de duinen. Het grenst aan de spoorlijn Den Helder – Amsterdam, die door zoveel wanhopigen wordt benut om zelfmoord te plegen. Om dan vervolgens honderd meter verderop te worden begraven. Het uitvaartcentrum waar de overblijfselen worden opgebaard ligt er precies tussenin. Doelmatigheid kan de Noord-Hollanders niet worden ontzegd.

 

Als ik over het glooiende kerkhof loop, lees ik de namen Lute, Stuifbergen, Kaandorp, Kuijs, Wokke, Beetjes, Jonker, Driesen, Schermer, Zuurbier, Stet, kortom: het is net alsof je in de open lucht een boek van Bordewijk aan het lezen bent. Met wind van zee en een flinke regenbui, veranderen de paden in modderstromen die de kiezelsteentjes (niet te verwarren met kleine botjes) langzaam richting het spoor voeren. Bossen bloemen en ander grafwerk drijven soms gewoon mee. Vaasjes, Mariabeelden en andere prullaria waaien de weg op en worden dan meegenomen door een zuinige boer die ze op vrijdag (visdag!) cadeau doet aan zijn vrouw.

 

Maar ’s zomers is het heerlijk wandelen tussen de laatste rustplaatsen van de families van mijn ex-klasgenoten. Of die van mijn ex-klasgenoten zelf, want enkelen hebben inmiddels het tijdige met het eeuwige verwisseld. Soms hebben zij prachtige grafteksten toebedeeld gekregen zoals: ‘Wie de Goden liefhebben, die nemen zij jong tot zich.’ Of: ‘Wij respecteren je keuze’. Ook mooi is deze: ‘Hij was nog zo klein/Toch mocht hij niet lang bij ons zijn.’ Daar is een dichter aan het werk geweest, dat lees je onmiddellijk. Mijn ouders komen er trouwens ook te liggen wat ik een hele geruststelling vind. Het geeft toch weer een extra dimensie aan mijn jaarlijkse kerkhofbezoek. Eén overeenkomst tussen Ockenburg, Buitenveldert en Onderlangs wil ik u ten slotte niet onthouden: God is nergens te bekennen. Gelukkig Nieuwjaar.

 

Gay.nl, december 2006

Dood kind, een kerstverhaal

1.

En weer ging ze te luchtig gekleed. God, waarom deed ze dat toch? Ze had de weersvoorspelling bestudeerd en ze kende de route op haar duimpje. Wat haar te wachten stond, wist ze dus. Maar ze had er niets mee gedaan. Ze had schoonheid boven functionaliteit gekozen, al zou een objectieve vrouwenliefhebber dat nooit beamen. Bijna vijftig was ze en nergens had ze iets van geleerd. Mede daardoor stapte ze nu blauw van de kou door de sneeuw. Haar Uggs zogen zich bij elke stap vast. Brandende hielen, omkranst door een serie blaren, waren het resultaat van deze zelfkastijding. En dat op de niet eens meer zo heel vroege ochtend.

Ze had een stagiaire op kantoor die door de stad snelde op een paar hippe sneakers, maar die achter haar bureau of in de rechtszaal een paar donkerblauwe pumps aan haar voeten schoof. Ze was echter te trots om het voorbeeld van dat meisje te volgen. Niet omdat het kind geen smaak had, integendeel. Maar vooral omdat de stagiaire van Turkse afkomst was. En het na-apen van zo’n mediterraan modepopje kon niet. Althans: niet voor de dochter van een Philipsdirecteur en kleindochter van de rector magnificus van een technische universiteit. Haar naam was Cissa Zorgeloos, maar geen cliënt die geloofde dat ze echt zo heette.

Huiverend glibberde ze richting de Singel. ‘Het’ Singel, aldus haar Amsterdamse bovenburen. Ook iets wat ze nooit had begrepen. ‘De Singel’ was het volgens haar, want dat had ze vroeger zo geleerd. Toegegeven: je moest je aanpassen aan het gebied waar je woonde. ‘When in Rome, do as the Romans’, zeiden ze in London – waar haar vader een paar jaar gewerkt. Net als in San Francisco, Bombay en Parijs. Daar, in die formidabele Franse hoofdstad, had Cissa ook gestudeerd. Maar ze had weinig of niets van de stof in de praktijk kunnen brengen.

Aan de Sorbonne lag de nadruk op het domweg nabauwen van de docenten. En tijdens tentamens was het zaak om in perfect Frans over te schrijven wat zij en haar medestudenten in hun dictaatcahiers hadden neergekrabbeld. Dat ze was afgestudeerd, gold voor iedereen als een wonder. Behalve voor de docent die niet alleen haar scriptie, maar ook haar stevige Nederlandse benen ter beoordeling had gekregen. Eenmaal terug in het vaderland, merkte ze dat haar kennis schromelijk te kort schoot. Ze leunde zwaar op haar medewerkers en, tot haar schaamte, zelfs op haar stagiaires.

2.

Haar beige wollen rok, ontworpen voor net iets boven de knie, was door haar geforceerde manier van voortbewegen naar boven gekropen. De zoom ervan raakte de onderkant van haar lange, door een tante gebreide trui in dezelfde kleur. Het ensemble paste aardig bij haar Uggs. Maar het beschermde niet tegen de kou. En koud was het, daar op de kop van het Singel. Of was het nou ‘de’ Singel? Ze wist het niet meer, net zo min als ze zich herinnerde hoeveel ze gisteren precies had gedronken. Eerst op kantoor en daarna thuis. O god, was het eigenlijk geen schande? Gelukkig had iemand haar in een taxi gezet en aan de chauffeur haar privé-kaartje plus een briefje van vijftig gegeven.

Huiverend bekeek ze de Kerstversiering op de Nieuwendijk. Om de rillingen kwijt te raken, stampte ze met haar laarzen op de grond. Maar het hielp niets. Sterker nog: bijna gleed ze uit op een pas gelegd stuk natuursteen dat de straatweg scheidde van het trottoir. Gelukkig kon ze nog net op tijd haar loodgieterstas op de stoep zetten, zodat ze daar niet zelf belandde. Angstaanjagend rinkelden de flessen tussen haar dossiers. Meteen keek ze om zich heen. Stel je voor: een van haar buren zag haar wiebelen, dan begon gelijk het geroddel weer. Kwam ze een hoer tegen of iemand van de reinigingsdienst, dan was er niets aan de hand. Maar ze was een keer half of compleet dronken tegen een cliënt opgebotst, die de ochtend daarop naar kantoor had gebeld om te vragen wat er met haar aan de hand was. De Turkse stagiaire had het netjes opgelost.

Ze herpakte zich en strekte haar rug. Wie weet, huiverde ze niet van de kou, maar was het gewoon een opvlieger. Parijs, waar ben je als ik je nodig heb, verzuchtte ze. Haar stroblonde haar stond strak van de ijzel. Als ze zich niet vergiste, was de eveneens door haar tante gebreide muts er aan vast gevroren. Het ding begon pijn te doen aan haar hoofd: het was alsof er aan d’r haar werd getrokken. Bijvoorbeeld door de Eindhovense jongens van vroeger, die haar niet konden verstaan omdat ze nauwelijks Nederlands sprak.

Ze verdrong de nare herinnering door te denken aan de verwarming op kantoor. Als die naar behoren functioneerde, smolt alles zo weer los. En anders had ze altijd nog haar föhn. Ze was in augustus voor het laatst naar de kapper geweest, omdat het toen dertig graden was. Geen mens had het gemerkt. Ze forceerde een glimlach en kneep haar al toch kleine ogen tot spleetjes. Paradoxaal genoeg zag ze daardoor zelfs beter, ook zonder bril. Het was alsof ze dwars door de neerdwarrelende natte sneeuw heen kon kijken, richting de Koepelkerk of naar de overkant van de gracht. De bloemenkraam verkocht nu ook kerstbomen en deed zowaar goede zaken.

3.

De sneeuw werd nu dikker en bleef liggen. Voetje voor voetje schuifelde ze naar kantoor, denkend aan Pierre uit Parijs. God, wat had ze daar mee gelachen. Hij had haar wegwijs gemaakt in de lichtstad, niet te verwarren met Eindhoven, en haar geïntroduceerd in kringen waarvan zij het bestaan niet had vermoed, maar haar vader wel. De laatste was dan ook medeverantwoordelijk voor de doorbraak van Cissa in het absintcircuit van Parijs. Alleen niet door haar uiterlijk, ook niet dankzij haar kennis of vaardigheden met betrekking tot het Recht en evenmin wegens haar talent voor drankinname. Nee: de hemeltergend hoge ouderlijke bijdrage aan haar kosten van levensonderhoud bleek het toegangsbewijs voor de meest ondoordringbare Parijse subculturen.

Indachtig het advies van haar vader dat je alles een keer gezien moest hebben, ging ze overal op af. Al had pa daarbij andere etablissementen in gedachten dan de van kots en zweet doordesemde krotten die zijn jonge blonde dochter bezocht. Men noemde haar Cisca. Normaal gesproken is het gebruik van enkel de voornaam gereserveerd voor sterren van het witte doek of operadiva’s. Maar in haar geval kwam het er op neer dat ze een voor Parijzenaars onuitspreekbare achternaam had. En een ‘Cissa’ was in het Frans een kraaiachtige zangvogel. Een kwalificatie die, hoe iedereen ook over de Nederlandse blondine dacht, nou ook weer niet de werkelijkheid weergaf.

Haar vader had een pied-à-terre in het Achtste. God oh god, dacht ze terwijl ze de peeskamertjes van haar ex-collega’s passeerde, wat een tijd was het geweest. Ze was student, maar betrad aan het eind van de dag – nou ja: meestal de nacht – een waar stadspaleis. Daar ontving ze niet alleen Pierre, maar ook een stuk of twintig andere studievrienden. Of waren het er dertig geweest, het exacte aantal was in nevelen gehuld. Letterlijk, want ze rookte toen veel. En niet alleen tabak. Ze haalde eruit wat erin zat en de jongens van haar jaargang deden precies hetzelfde. Zo’n leuke, lange, blonde, vrolijke meid: daar moest je flink van profiteren.

Au Pair van W.F. Hermans was net in Franse vertaling verschenen. Cissa (‘Cisca’) stak toen net zo veel sigaretten op als de Oude Meester, maar moest daar weldra mee stoppen. Want ze was zwanger. Al wist ze niet van wie. Het kon Pierre zijn. Of de universitair docent. Of iemand die naast haar had gezeten in de bibliotheek en die er graag voor had willen betalen. God mocht weten met wie ze dat jaar allemaal had geëxperimenteerd. Het woord ‘studievriend’ kreeg plotseling een heel andere betekenis. Maar ze lachte erom: eigenlijk boeide de zwangerschap haar nauwelijks. Zoals bijna niets in die tijd haar wat kon schelen.

Mits haar vader er maar niet achter kwam. Want dat betekende nog voor haar afstuderen een enkele reis Eindhoven. Een achterlijk gat waar ze niets te zoeken had en dat een gehucht was in vergelijking tot London, Bombay en San Francisco. En een ouderlijke bijdrage voor een kamertje boven een café aan de Stratumse Dijk? No way! Ze hoorde het haar vader al roepen, streng en gedecideerd als hij was. Misschien zou hij een goed woordje voor haar doen bij de filiaaldirecteur van de Bijenkorf om er een verkoopstersbaantje uit te slepen. Maar daar zou het wat zijn inspanningen betreft bij blijven.

4.

Haar aandacht werd getrokken door een levensgrote kerstgroep in het restaurant van een vijfsterrenhotel. Meestal zaten hier Amerikaanse congresgangers aan het ontbijt. Maar nu hadden de tafels en stoelen plaatsgemaakt voor de Heilige Familie, met in haar midden het kindeke Jezus. Levensgroot en levensecht lag de verlosser in een met stro gevulde kribbe, zo te zien afkomstig van de firma Pommery. Cissa schrok! Wat was er gebeurd? Had ze niet opgelet? Was ze een verkeerde straat of steeg ingeslagen? Oh god, wat stom! Hoe was het mogelijk? Ze woonde inmiddels tien jaar in Monnickendam. En precies even lang runde ze haar advocatenpraktijk aan de (‘het’?) Singel. Regelmatig ging ze met de auto naar kantoor, maar even vaak nam ze de trein. Ze kon de weg van het Centraal Station naar het grachtenpand waar ze werkte (en wat ze bezat, ‘bedankt pa!’) wel dromen. En over dromen gesproken: blijkbaar was ze ingedommeld en slaapwandelend ergens anders beland.

Met haar priemende oogjes keek ze naar de baby in de kribbe. Het kind was veel te mooi, concludeerde ze. Duidelijk afkomstig van een speciaalzaak voor paspoppen. Want hoe klein ook: zelfs een pasgeborene moest kleren aan. Daar waren winkels voor en in die winkels hadden ze ook babyfiguren in de etalage, aangekleed met de hipste mode. Zonde natuurlijk, wist Cissa. Want binnen de kortste keren was het wurm twee keer zo groot en kon de hele mikmak naar Afrika. Ze werd misselijk van ellende. Want ook zij had alle babykleertjes weggegooid. Het ging alleen niet richting de voormalige Franse koloniën, maar regelrecht de prullenbak in, zonder dat er een haan – Frans of niet – naar kraaide. En de reden was niet dat de kleine groeide als kool.

Een traan ruïneerde haar vanochtend met trillende hand opgebrachte potlootstreepje. Het liep oorspronkelijk van ooghoek naar ooghoek. Maar nu leek de tekening net het schema van een bergetappe uit de Tour de France. Haar vader had het haar vaak genoeg uitgelegd, met een pagina uit L’Equipe als illustratiemateriaal. En of het door de herinnering aan haar pa kwam of niet: een opvlieger zette haar in vuur en vlam. Van haar bekken tot haar schouders. O god, wat een toestand. Ze had stramme ledematen van de kou, maar tegelijkertijd liep het zweet in stroompjes over haar rug. En kwam die misselijkheid niet gewoon van een kater? Zwanger kon ze niet meer zijn. Dat stond vast. Oh, al jaren.

Op goed geluk slofte ze een steegje in waarvan ze dacht dat die uitkwam op het (‘de’?) Singel. Die stomme Franse ziekenhuizen ook, niets ging zoals het hoorde. Ja, met de baby was alles in orde, maakt u zich maar geen zorgen Mme Bourgeois. Ze had het na een paar jaar opgegeven om haar achternaam te spellen, laat staan te vertalen, wat in haar toenmalige omstandigheden misschien wel zo kies was. Want terwijl ze steeds zichtbaarder zwanger werd, hoorde en voelde ze de baby steeds minder. En op het laatst helemaal niet meer. Ook dat was niet zoals het hoorde. Ditmaal volgens haar vriendinnen op wier advies ze haar laatste pakje Gauloises had weggegooid en naar het Ambroise Paré-ziekenhuis was gegaan.

5.

Voetje voor voetje schuifelde ze door de steeg. Haar enkels en hielen deden pijn en ze had het stervenskoud. Maar toch zweette ze als een vieze, plakkerige otter. Ze vermoedde dat zelfs voorbijgangers haar roken. Het kon niet anders: ze had het meteen door als mensen naar haar omkeken, om wat voor reden ook. Ze probeerde rechtop te lopen. Maar haar zware, met een paar volle flessen gevulde loodgieterstas verhinderde dat. En dat ze ’s morgens al doodmoe was, hielp ook al niet mee. Haar tas deed haar naar links overhellen en doordat ze uitgeput was, liep ze voorover.

Pas toen ze een slagerij passeerde, de eerste winkel die ze herkende omdat ze er wel eens een broodje haalde, slaagde ze er in zich min of meer normaal voort te bewegen. Nu nog de hoek om, wist ze. Vervolgens een meter of vijftig lopen en dan was ze op de plaats van bestemming.

Het kind was schoongemaakt en in een laken gewikkeld, net als indertijd bij Jezus. Ze had het meegekregen in een schoenendoos van een onbekend merk. Was dat in Frankrijk gebruikelijk? Ze dacht van niet, maar het stond haar niet meer helder voor de geest. Ze had het ziekenhuis door de achteruitgang verlaten. Via een onbestraat weggetje was ze naar het Bois de Boulogne gelopen.

Tussen de bomen, aan een betonnen paal, hing een schop om pas ontstane vuurtjes mee te doven. Maar zij groef er een bescheiden gat mee en legde de schoenendoos er voorzichtig in. Ze maakte het gat weer dicht, stampte de aarde aan en schepte een flinke hoeveelheid herfstbladeren bovenop de omgewoelde grond. Toen, tijdens de illegale begrafenis, had ze zich een gebed herinnerd. Iets als: ‘Kind, in het paradijs word je door engelen begeleid’. Ze was toch alleen, dus ze had het hardop uitgesproken. Maar nu, geteisterd door een kater, de blaren op haar voeten, nat en koud van de sneeuw, wist ze zelfs dat gebed niet meer…

Amsterdam, december 2014

Norbert Splint

 

 

Moslims, ook in een vorig decennium helemaal hot…

Uitleenmoslim

Nog even over moslims: vorige week stond er een leuk stukje over een wel heel speciale islamiet op nu.nl. De titel: ‘Geen belangstelling voor uitleenmoslim’. Nee, vind je het gek, dacht ik meteen. Wie wil er nu een potentiële terrorist te leen. Toevallig meldde vanochtend dezelfde site dat eenderde van de Britse moslimjongeren graag de Sharia ingevoerd zag en dat 13% van hen Al-Qaeda steunt. Ook herinner ik me het vraaggesprek met een zekere ‘Bilal’ uit NRC Next, waarin de geïnterviewde aangeeft dat de IND wel heel stom bezig is door zich op Marokkaanse jongeren te focussen, terwijl hun Turkse leeftijdsgenoten even hard radicaliseren.

Zulke informatie heeft de uitleenmoslim vast niet paraat. Lees maar even mee. ‘Almeerder Salaheddien Boulaabi wil met niet-moslims in gesprek om misverstanden over de islam uit de wereld te helpen,’ aldus nu.nl. ‘Maar ondanks een campagne en een website is hij anderhalf jaar na zijn start als uitleenmoslim nog nooit benaderd voor een gesprek. ‘Misschien zijn mensen bang dat ik wil evangeliseren, maar dat is echt niet de bedoeling. Ik wil alleen bijdragen aan beter begrip,’ zegt de uitleenmoslim. Hij wil graag van zich laten horen op scholen en bij bedrijven. ‘Bedrijven die bijvoorbeeld een moslim in dienst hebben, zitten soms met vragen die ik kan beantwoorden.’ Boulaabi hoopte op uitnodigingen uit heel Nederland, maar zelfs in zijn woonplaats Almere is het doodstil gebleven.’

 

De locatie Almere maakt trouwens nieuwsgierig. Immers: veel Amsterdammers hebben de hoofdstad ingeruild voor Almere uit angst bedolven te worden onder hoofddoekjes, burka’s en gebedsmutsjes. Maar net nu de vluchtelingen een beetje hun draai hebben gevonden blijkt het gevaar van binnenuit te komen. Dat valt tenminste af te leiden uit het webadres waarmee het bericht op nu.nl afsluit: www.moslimsinalmere.nl. Een blik op de site leert dat heel wat aanhangers van de meest vredelievende godsdienst ter wereld hun weg naar de stad van Annemarie Jorritsma hebben gevonden.

 

Tussen links als ‘Zusters in Almere’ en ‘Rondleiding in de moskee’ vinden we de verwijzing naar de uitleenmoslim. ‘In naam van Allah, De Genadige, De Barmhartige. Uitleenmoslim. […] Voor al u (sic) vragen over de ISLAM en de MOSLIM. Alleen voor niet moslims. U hoeft niet op zoek te gaan naar antwoorden, wij bezorgen de antwoorden bij u. […] Deze diensten zijn ervoor om vragen te beantwoorden over de Islam, God/Allah, de moslim en zijn cultuur, Islam en democratie, Islam en Christendom, Islam en Jezus vrede en zegeningen zijn met hem en andere onderwerpen. […] U bent ook van harte welkom bij de uitleenmoslim thuis, als u een vrouw/meisje bent is er ook een moslima die u wil (sic) verwelkomen. […] De uitleenmoslim zijn diensten zijn gratis, maar als u niet tevreden bent krijgt u een cadeautje voor dat u de moeite hebt genomen. (deze actie (het ontvangen van een cadeautje) geldt alleen voor de Almeerse gemeenschap) Deze (sic) initiatief is voornamelijk bedoeld voor de Almeerse gemeenschap maar gezien het gebrek aan dialoog en de stagnatie in communicatie zijn wij bereid u van een uitleenmoslim te voorzien ook elders in het land. (zolang de voorraad strekt).’

 

Die voorraad is er dus nog, als we het stukje op nu.nl mogen geloven. Maar ook dat is niet verwonderlijk. Want iemand die niet wil evangeliseren, maar wil bijdragen aan beter begrip moet zijn webtekst natuurlijk niet beginnen met te spreken in naam van Allah. Onze collega’s van NRC Next hebben de moeite genomen de uitleenmoslim te bellen. Een samenvatting van het telefoongesprek stond vanochtend in de krant. Boulaabi geeft daarin toe dat PR niet zijn sterkste kant is. Maar nog altijd is hij bereid zijn boodschap voor individuen, groepen, scholen en bedrijven uiteen te zetten.

 

Volgende week hebben wij van Gay.nl onze jaarlijkse borrel, op een ‘geheime locatie’, want dat is helemaal in. Introducés zijn toegestaan. Ik denk dat ik de uitleenmoslim ook eens bel.

 

Gay.nl, januari 2007

Na Harry’s faillissement bereikt zijn populariteit een dieptepunt

Op zijn Mephisto’s slofte hij naar de TV en zette het apparaat aan. Het NOS Journaal van twaalf uur was aan de gang. De Amsterdamse binnenstad was in beeld. Harry herkende de Keizersgracht. Ook zag hij de trappen en het bordes bij de toegangsdeur van het kantoor van fag.nl. ‘Het zou toch niet…,’ mompelde hij. Nieuwsgierig, maar ook verontrust, zette hij het geluid harder. De voice over (het was Rik van de Westelaken) meldde diverse gebeurtenissen uit de geschiedenis van het Homo Blad. Het waren precies dezelfde akkefietjes als die Harry had gelezen op de fag.nl site die Spijker op zijn laptop had laten zien. Op zakelijke toon werden Harry’s miskleunen opgedreund. Zijn overhemd begon plakkering aan te voelen in verband met een zweetaanval. Nergens kwam zijn verweer ter sprake, dat erop neerkwam dat alles eigenlijk de schuld was van de crisis. Wel werd Manuel genoemd. Zijn korrelige portret, duidelijk een profielfoto van fag.nl en geen foto die het Journaal zelf had gemaakt, werd een paar seconden getoond. Meteen wilde hij iets tegen het scherm roepen. ‘Leugens!’ of zoiets. Nog net op tijd zag hij het bespottelijke daarvan in. Het schaamrood steeg hem naar de kaken. Gelukkig was er niemand in zijn kantoor.

Een seconde later kwam Ton Kool in beeld. Het shot werd onderaf genomen, waardoor hij nog groter leek dan dat hij al was. ‘Ja, inderdaad zien wij ruimte voor een doorstart,’ zei Kool met zijn Tilburgse accent. ‘Natuurlijk merken wij als mediabedrijf ook dat de advertentiemarkt inzakt. Maar het Homo Blad heeft de online mogelijkheden nooit goed onderzocht. En laat dat nou net onze specialiteit zijn! Daar komt nog bij dat wij als gay community het jammer vinden dat een ruim dertig jaar oude iconische titel verdwijnt. Sterker nog: dat de personen achter het Homo Blad de gay community misschien wel hebben beschadigd. Wij starten dan ook met ingang van vandaag het Meldpunt Gedupeerden Homo Blad: MGHB.’

Opnieuw klonk de voice over. Dit keer was de toon wat minder feitelijk. Eerder suggestief, meende Harry. Ten slotte werd een vraag gesteld die hij niet goed verstond. Kool antwoordde. ‘Dat valt nog te bezien. Kardol heeft bij een bezoek aan ons kantoor een paar A4-mappen achtergelaten. En per ongeluk of niet, zelfs die mappen zaten vol met informatie waar het Openbaar Ministerie misschien wel iets mee kan! We zullen de mappen dan ook zo snel mogelijk overdragen. En als ik zo brutaal mag zijn, dan spel ik nog even het webadres van het Meldpunt. Dat is www…’ .

Niet schrikken, schoon alleen maar mijn archief op (2)

Zelfmoord II

 

Het toeval wilde dat mijn moeder, dezelfde die onze buurvrouw had moeten identificeren, in die periode stevige pijnstillers gebruikte. Haar medicijnkast puilde uit van de ibuprofen, codeïne en ampullen morfine. Voor de veiligheid en bij wijze van noodrem bewaarde ze de naalden in een hoedendoos op zolder. Ze mocht zichzelf inspuiten aangezien ze was opgeleid tot doktersassistente.

 

In die tijd was ik nog naïever dan nu. En een stuk schijteriger, vandaar dat ik afzag van een injectie. In plaats daarvan knipte ik op een avond dat mijn ouders niet thuis waren een stuk of dertig capsules codeïne open, loste het poeder op in een glas cognac en werkte het mengsel in een paar slokken naar binnen. Het had niet het beoogde effect.

 

Wel vonden mijn ouders de volgende dag dat ik nogal lang sliep en verschrikkelijk uit mijn bek stonk. Verder stelden ze geen vragen, wat voor mij een bewijs van hun desinteresse was. Ze hadden sowieso voor weinig zaken belangstelling en voor mijn toekomstplannen (of liever: het gebrek daaraan) al helemaal niet. Tegelijkertijd waren ze juist weer wel van het laatste nieuws in Castricum op de hoogte. Echtscheidingen, ongeneeslijke ziektes, kinderen met wie wat mis was: je kon ze er midden in de nacht voor wakker maken.

 

Daardoor werd elk geval van suïcide vaak nog dezelfde avond aan onze eettafel besproken. ‘De zoon van Jaap en Trudie heeft het zélf gedaan,’ zei mijn moeder dan. En in één adem voegde ze er een veroordeling aan toe. Het was niet nodig geweest, wat heeft hij zijn ouders aangedaan, het is een schande, wat zullen ze bij de kerk wel niet denken, dat soort dingen. Tragisch dieptepunt in die serie non-argumentaties was haar reactie op de succesvolle zelfmoordpoging van onze achterbuurjongen Menno.

 

Dit prachtige blonde joch was handig met elektriciteit en goed in scheikunde. Deze expertise bracht hij in de praktijk toen hij een krachtig explosief fabriceerde dat hij op zijn buik bond en met een aan zijn ledematen vastgeplakte stroomdraad tot ontploffing bracht. Tegenwoordig is deze methode volledig ingeburgerd onder moslimterroristen, maar twintig jaar geleden was het een unieke manier van zelfdoding. Behalve het slachtoffer werd ook een deel van zijn ouderlijk huis verwoest. Mijn moeder fietste er langs en kwam thuis met de mededeling: ‘Verdorie, de hele gevel hangt uit het lood! Had dát nou gemoeten?’

 

Het bovenstaande komt misschien wat gechargeerd over, maar in grote lijnen is het de waarheid. Ikzelf heb de beslissingen van onze buurvrouw, Menno en dat handjevol anderen die later mijn pad hebben gekruist en zich (weer wat later) van het leven hebben beroofd altijd gerespecteerd. Omdat ik vind dat zelfmoord het resultaat is van een van de diepste menselijke verlangens. Het is eigenlijk de ultieme wens: er niet meer willen zijn. En waarom? Wij achterblijvers kunnen er alleen maar naar raden. Zelfs een afscheidsbrief geeft niet alle geheimen prijs. En dat hoeft natuurlijk ook niet: wie het slachtoffer (M/V) goed kent, serieus neemt en liefheeft kan alleen maar eerbiedig op zijn of haar besluit reageren.

 

Tot slot. Het begrip ‘respect’ is een modewoordje geworden dat wordt misbruikt door een verzameling lanterfantende uitkeringtrekkers, hiphoppende allochtonen en incompetente politici. Het zij zo. Maar als het gaat om een zaak van leven en (een al dan niet zelfgekozen) dood, staan zulke mensen met hun mond vol tanden. En niet alleen zij. Ik geef toe dat ik ook wel naar woorden moet zoeken wanneer me wordt verteld dat iemand zich van het leven heeft beroofd. Maar vóór alles respecteer ik de beslissing, laat de overledene in zijn waarde en hoop dat hij heeft gevonden wat hij zocht. Met die houding kun je rustig over zelfmoord blijven publiceren. En daar ging het me in deze twee stukjes om.

 

Gay.nl, juli 2006

Niet schrikken: schoon alleen maar mijn archief op (1)

Zelfmoord I

 

Kort geleden hadden we hier op de frontpage een item over een onderzoek waaruit zou blijken dat homomannen vijf keer zo vaak denken aan zelfmoord dan heteromannen. Niet toevallig was vlak daarvoor op het forum een draadje geopend over hetzelfde onderwerp.

 

Een van de discussiepunten was of er over dit thema (zelfmoord) gepubliceerd mocht worden of niet. Ikzelf vond van wel omdat ik vind dat over alles gepubliceerd mag worden. Mijn voornaamste opponent uitte een vermoeden dat ik geen ervaring met suïcide had en dus geen recht van spreken had. Hijzelf had dat wel en kon dus met grotere deskundigheid argumenteren. Vond hij. Bovendien kwam hij een uitspraak van de Raad voor de Journalistiek op de proppen die terughoudendheid inzake de berichtgeving over zelfdoding eiste.

 

Om met het laatste argument te beginnen: voor zover ik weet is niemand bij gay.nl (op ondergetekende na) lid van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ), de club die de Raad voor de Journalistiek in het leven heeft groepen. Aan uitspraken van de Raad voor de Journalistiek, die juridisch sowieso niet bindend zijn – vergelijk de Commissie Gelijke Behandeling, is gay.nl dus niet gehouden. Maar afgezien daarvan: die uitspraak bestaat niet. Kijk maar gewoon op www.rvdj.nl.

 

Dan die persoonlijke redenen. Als ik het goed begrijp heeft mijn tegenstander in zijn omgeving twee keer een geval van zelfdoding meegemaakt. Dat spijt mij bijzonder. Maar de reden dat de heren zich van kant hebben gemaakt, is natuurlijk niet dat er over suïcide wordt gepubliceerd. Die reden is hoogst individueel, strikt persoonlijk en uiteindelijk alleen voor henzelf kenbaar. Dit geheim nemen zij mee in hun graf – of in de crematieoven natuurlijk.

 

Even een parallel: mijn vorige partner en ik zijn in april 1994 het slachtoffer geworden van een auto-ongeluk op de Prins Hendrikkade in Amsterdam, hoogte Scheepvaartmuseum. Dader was, naar later bleek, een Ghanese illegaal die drugs en prostituees van de Bijlmer naar de Wallen vervoerde en weer terug. Ik maak nu een lang verhaal heel kort: mijn partner (toen 27) overleed de volgende dag in het VU-ziekenhuis en ik (toen 24) leef nog. Overigens zijn ongelukken op het snijvlak van verkeersovertredingen en misdaad in Amsterdam aan de orde van de dag.

 

Maar goed. Betekent dat nu dat er niet over verkeersongevallen, illegalen, drugs, prostituees, de Bijlmer of de Wallen mag worden gepubliceerd? Nee, natuurlijk niet. Integendeel. Hoe vaker dit in de publiciteit komt, hoe beter. Benadruk de positieve kanten (dat prostitutie legaal is komt goed uit: het aantal soa’s neemt af en de fiscus profiteert mee – ik noem maar even wat) en stel de misstanden aan de kaak (illegaliteit is nergens goed voor).

 

En nu ik het toch over mijn verleden heb: toen ik een jaar of zestien, zeventien was zag ik het, zoals dat heet, niet meer zitten. Ik zat nog vér voor mijn eindexamen, ik had (en heb) niets met mijn ouders of verdere familie en ik was al uit – als homo, maar mijn broer en mijn vrienden beschouwden dat als hét bewijs dat ik gek was. ‘Wéér zo’n practical joke van Norbert,’ was de algemene opinie. Het zou vanzelf wel overgaan, net als mijn voorkeur voor Reve, Hermans en Frans Kellendonk.

 

Het toeval wilde dat er bij ons in Castricum behoorlijk wat mensen onder de trein sprongen: Revalidaticentrum Heliomare en ‘Psychatrisch Ziekenhuis’ Duin en Bosch lagen immers op loopafstand van het spoor Alkmaar-Amsterdam. Onder het motto ‘Goed Voorbeeld Doet Goed Volgen’ plande ik een datum. Maar geloof het of niet: onze buurvrouw, vaak opgenomen in Duin en Bosch trouwens, was mij voor. Mijn moeder vertelde hoe mannen in witte pakken haar stukje bij beetje van de bielzen vandaan hadden geraapt. ‘Ze hopen de ringvinger snel te vinden,’ had ze gezegd, ‘de trouwring vergemakkelijkt de identificatie.’ Ik wilde niet als een verzameling kippenbouten tussen de rails eindigen en verzon wat anders.

 

Wordt vervolgd.

 

Gay.nl, juli 2006